Daklozenopvang overvol en buiten ijskoud: hoe moet het met mensen die buiten slapen? 'Nieuwe normaal'
In dit artikel:
In heel Nederland lopen opvanglocaties tegen hun grenzen aan nu de vorst inzet. Gemeenten zetten noodlocaties op en hulporganisaties werken samen om te voorkomen dat mensen de nacht buiten moeten doorbrengen — iets dat bij strenge kou levensgevaarlijk kan zijn.
Utrecht illustreert de problematiek. Veldwerker Moreno van Hulst van belangenvereniging Stichting GOUD waarschuwde enkele weken geleden op LinkedIn dat de opvang al vol zat en hulpverleners moesten kiezen wie een beperkt bed krijgt. „Dit is het nieuwe normaal,” schreef hij over de situatie waarin zelfs zeer kwetsbare mensen op straat moeten overleven, terwijl in Utrecht slapen op straat verboden is. Sinds kort is in de stad de koudweerregeling van kracht, waardoor er tijdelijk extra slaapplekken komen. Volgens Van Hulst zijn er nu meer bedden dan vorig jaar, maar de vrees bestaat dat ook die capaciteit snel opraakt.
De uitvoering van de koudweerregeling in Utrecht ligt bij De Tussenvoorziening; coördinator Simon de Jong meldt dat de grootste locatie ongeveer 200 bedden heeft en dat er in totaal nu circa 175 plekken beschikbaar zijn. Bij hogere behoefte bestaat er een noodscenario: binnen locaties extra bedden plaatsen, 25 extra slaapplaatsen klaarzetten en desnoods hotels inschakelen. De Tussenvoorziening kan opschalen en werkt samen met het Rode Kruis, Leger des Heils, Jellinek, gemeente en dagopvangs.
De urgentie is groot: bij strenge kou kunnen mensen bevriezingsverschijnselen krijgen en overlijden. Vorig jaar stierven in Utrecht 28 mensen die op straat leefden of in opvang verbleven; de levensverwachting van daklozen ligt ongeveer 25–30 jaar lager dan gemiddeld. De druk op de voorzieningen is toegenomen sinds corona; op de eerste koude nacht van dit seizoen (19 november) was de vraag ruim 70% hoger dan normaal. Waar vorig jaar zo’n 125 mensen in beeld waren, zaten hulpverleners deze week al op 150 — meer mensen in één nacht dan het voorgaande jaar.
Hulpverleners zetten proactieve straatteams en nachtbussen in: het Rode Kruis rijdt ’s avonds met een straatverpleegkundige en opvangmedewerker rond om buitenslapers te benaderen en naar opvang te begeleiden. Als iemand mogelijk wilsonbekwaam is, kan de ggz worden betrokken om te beoordelen of die persoon de consequenties van buiten slapen kan overzien. Wie kiest te blijven, krijgt toch hulp — bijvoorbeeld een buitenslaapzak of veldbedje — om acute gezondheidsrisico’s te verkleinen. Veldwerkers verwijzen mensen door en voeren ook belangenbehartiging; bij volloop van de opvang overleggen organisaties met de gemeente.
Opvallend is de diversiteit en verjonging van de groep: van baby’s van zes maanden in auto’s tot tieners van 14–17 jaar. De Tussenvoorziening noemt de Utrechtse koudweeropvang goed georganiseerd omdat veel organisaties vanuit eigen rollen samenwerken en medewerkers vaak bereid zijn extra diensten te draaien.
Op termijn wordt met een ETHOS Light-telling een betere telling van dak- en thuisloosheid gemaakt, waarna trends en prognoses voor volgende winters worden opgesteld. Voorlopig blijft de balans fragiel: er zijn tijdelijke oplossingen en veel inzet, maar structurele druk en stijgende aantallen maken elk winterseizoen tot een gevecht om te voorkomen dat mensen onbeschermd de kou in moeten.